Het log dat eigenlijk over helemaal niets gaat...

woensdag, oktober 13, 2004

De rit van Donets’k

Er stond iets op het punt van beginnen in het Zuidoosten van Oekraïne, waar de meestal duistere straten van Donets’k gekleurd gingen in het felle morgenlicht. Donets’k was een verlaten stad, luierend in haar zonde en armoe, die haast verzwolgen was door corruptie en angst. Angst voor rovers, voor de Sovjets, het communisme die door middel van onderdrukking haar wil weder wilde opleggen aan het voor de Unie westelijk gelegen land. Het was in deze stad, op deze morgen, terwijl Donets’k ontwaakte uit haar roes van de misdadige, inmiddels vervlogen nacht, dat de afspraak gemaakt was. Er heerste een spanning, maar niemand wist het te begrijpen. Niemand wist te verklaren wat dat hij voelde en welke grote dreiging van de nimmer rustige straten uitging. Het was alsof ieder mens wist wat komen zou, doch geen van allen kon het onder woorden brengen. En dat was het ook.

“Djäne, Djäne!” Een bus, door een oogopslag vertellend van de welvaart van de streek, kwam met veel moeite en inspanning tot stilstand voor de bushalte in het centrum van de grote stad. Een jongetje stapte in. Alleen. ‘Moeder’-ziel alleen. Er was niemand die zich om hem bekommerde of op hem lette. Hij sloop langs de half slapende chaffeur en ging op de vierde rij rechts zitten, zijn lijmpotje in de hand. Onrustig tikte hij met zijn hoofdje tegen de rugleuning, de versleten veren hielden zijn gespring nauwelijks, maar toch zakte deze niet ineen zoals velerlei anderen zetels reeds wel hadden gedaan. Hij zag ze, maar bood er verder geen aandacht aan. Met zijn armpje sloeg hij om zich heen. Hij raakte de leuningen en merkte hoe zijn vel terugsloeg op het koude leer. Aan de overkant van de kloof die hem van zijn de andere stoelenreeks scheed, keek een man hem aan met lede ogen. Hij had een tenger postuur. Een brilletje op, met verkleurde glazen. Twee niet-passende gympjes vloekten tegenover zijn nette, gestreepte broek. Het leek ‘m geen misdadiger. Geen komrad. Sovjet? Nee.

Voor hem zat een andere man. Djäne schatte hem rond de 40, 50. Midlifecrises, zo dacht hij. Had ‘ie op school geleerd. Z’n leraar scheen het volgens zijn broer ook te hebben. En ook al wist Djäne nog steeds niet wat het betekende, hij geloofde dat wel. ‘T was immers een SOV. Deze meneer hier voor hem vond Djäne geen SOV. Maar tegelijkertijd, kon je dat nooit weten. SOV’s konden overal zijn. Djäne was op zijn hoede. Hij snoof wat aan z’n potje, z’n hoofd schudde. Toen werd ‘ie kalm. Geen Sovjet, schudde hij z’n hoofd.

Hij draaide zich om. Even overwoog hij in het gangpad te staan. Dan kon hij alles beter zien. Hij besloot echter te blijven zitten. De whiskylikkers hadden anders beter zicht op je. De rotzakken, met hun PSG-1’s. Onschuldige burgers, als ratten in een haviksval. Communisme, Djäne wist er niet veel van. Het leek hem slecht. Dat was wat z’n broer hem altijd zei. Z’n vader vroeger ook, trouwens en Djäne was ervan overtuigd dat als zijn moeder er nog was, zij hetzelfde tegen hem zou zeggen en hem zou waarschuwen voor de gedrochten. Achterin de bus zaten twee vrouwen. Zij interesseerde hem verder weinig. Vrouwen waren geen komrads. Geen communisten. Geen moordenaars die terug wilden van wat zij vonden dat van hen gestolen was in het jaar ’91. Achter het aanrecht zagen zij niet veel meer van het leven, immers. Djäne vond dat goed. De wereld was té slecht. Zo slecht dat hij wist dat een vrouw haar nooit zou kunnen accepteren, of erin leven. Hij keek verder rond. Er zaten nog twee jongens. Die leken hem eveneens ongevaarlijk. Toch nam hij ze in hem op. Beiden zagen ze eruit zoals vele van hen eruit zagen op een maandag zoals deze. Voor Oost-Europese nette begrippen hadden ze zichzelf kleding aangetrokken voor feestelijke bijeenkomsten die diezelfde avond gehouden zouden worden in de warmte van cafés. Het waren warme kleding, die ze droegen. Want desondanks de zomer waren er geen mensen die liepen zonder sjaal of das, als ze de mogelijkheid hadden dit te betalen. Er heerste koude. Koude alom. De jongens waren beiden rond het midden van hun tienerjaren. Trots lieten zij de stoppeltjes zien, die begonnen te groeien op hun huid. Hun haren hadden zij gekamd, gewassen met het vervuilde water uit de rivier. Ze zagen er netjes uit. Het waren geen komrad’s. Geen Sovjets. Nee.

Een laatste man was totnogtoe onttrokken gebleven aan de oordelende blik van Djäne. Djäne bekeek hem nu. Hij trok zijn hoofdje schuin, terwijl hij snoof aan zijn potje. De man liep in een nette broek, met zwarte leren schoenen. Een hoed bedekte zijn hoofd en een lange, donkere cape lag om zijn lichaam. Het was een westerling. Djäne zag het. Afgrijzen maakte zich van hem meester. Westerlingen moesten zij niet. Dat was wat zijn broer zei. Djäne draaide zich snel om. Hij tikte zenuwachtig op het raam. De bus was bijna bij z’n halte. Op straat waren er nauwelijks mensen en de mensen die er waren, waren zodanig afgeschrikt door het aanrazen van de bus, dat zij zich met hun broden en andere spijzen zo snel mogelijk uit de voeten maakten in de donkere schuilplek die de spelonken boden.

De bus stopte. De volgende halte was de halte van de jongen. De twee kleine vrouwen stapten uit. Geen Sovjets. Hij had het goed geraden. Alsof het een kruiswoordpuzzel was en het juiste woord zojuist uit zijn pen was gegleden, zo verrukt was hij te ondervinden het goede antwoord gegeven te hebben.

Een nieuwe man kwam binnen. Djäne wist het meteen. De gelaatstrekken waren geenszins angstig, zijn donkere baard was niet die van een Oekraïner. Alsof hij het kon ruiken en alsof de man rook naar de verlokkende lijmgeur, zo wist hij dat het goed fout zat. De man droeg een geruit vest. Het bolde op, maar Djäne zag geen vet in het ijzige gelaat van de man. C4. Het was over. Zo wist Djäne wel. Hij vond het wel spannend. Verder dacht hij er niet veel over na. Hij verborg zich onder zijn stoel. Twee keer werd er geknald. Midden op de weg stond de bus nu stil. Een kreun. Onder de stoelen door zag hij het bloed van de chauffeur neergutsen op de versleten vloer. Nog een kreun. Een kermend verlangen naar redding. Door het accent kon hij weten dat de westerling eveneens was gevallen. Hij lag nu op de grond, schudde na. De bus schudde mee.

“Это для коммунизма! Apprehension не для меня, apprehension не для смерти. Оно только что-то вы все случаете, так, что смерть выдержит свобода и верование. Ваши swines vulgarity no longer не заслуживают. Дорог я убил бы вас для. Я буду однако никаким садистом. Живите для коммунизма! Плашка для коммунизма.”

In een enkele seconde was het gedaan. “Djäne, Djäne!” riep het jongetje tegen zichzelf. Hij schudde, was bang, angstig en voelde zich toch bevrijdt. Een laatste maal rook hij de geuren van zijn potje. Hij had het kunnen weten, in onderbewustzijn was het misschien ook zijn bedoeling geweest. In zijn hoofd hoorde hij zijn moeder schreeuwen. “Djäne, Djäne!” Hij herinnerde zich het marktplein. De krantenkop. De doden. De Sovjets. Het communisme. Het was niet gek dat juist deze dag gebeurde wat er nu juist plaats had gevonden. Het was 24/8. Nationale feestdag. Onafhankelijkheid werd gevierd. Het was de juiste dag, voor een moord op wraak. En wraak was het juiste woord dat Djäne had gezocht, toen hij zijn moeder vasthield in zijn armen. Ze bloede hevig. Ze ging dood. Hij wilde wraak, maar had geen C4, geen PSG-1. Hij had enkel zijn potje. Dat was zijn troost. Zijn enige.