Het log dat eigenlijk over helemaal niets gaat...

maandag, oktober 11, 2004

De twee broers

Momenteel is dit stuk gedateerd. Alles is nu anders en zoals ik het zie is er veel voorbij gegaan en gebeurd. Als ik er over nadenk heeft er toch veel een onverwachte wending gemaakt. Er zijn plottwisten opgerezen uit zo’n inzichtloze dag als zondag. In één dag; er kan veel veranderen. We gaan terug in de tijd…

[zondagochtend, 10-10-04]

Buiten een geweldig leven heb ik twee broers. Eigenlijk drie. Ongewassen, onfrisse types, die graag hun imperium uitslaan daar waar ik tot nog toe verwoed trachtte te bestaan. Twee, in data en lengte ouderen – waarvan een m’n stiefbroer en een m’n raseigen echte – en een ondiscutabele jongere – mijn halfbroertje. Aan die laatste twee wil ik dit stukje graag toewijden, want het is met hen dat ik in dit weekend vol ongeloof opgescheept zit en veelvuldig hevig in de clinch raak. Fijn is anders. Fijn is als blije omstandigheden zich van je meestermaken in plaats van haatdragende en sterk irriterende; maar ik ga hier niet lopen mokken. Ik moet alleen het een en ander kwijt.

Face it, Anne zowel als Joël zijn aso’s. Ze gunnen een ander het daglicht niet, zijn vaak chagerijnig en lenen hun spullen niet of nauwelijks uit aan anderen, om vervolgens met zijkende weemoed mij te overreden als ze iets van me nodig hebben. Daar erger je je weleens aan. Een combinatie van de beide factoren die zij bezitten resulteert in een nog meer angstaanjagende macht. Het is als een binding tussen asocialiteit en egocentrisme met meer van datzelfde. Dit geeft gerotzooi. Vooral met mij. Zij weten gewoon niet en/of accepteren het niet dat ik geniaal ben en zij niet. Waar zij het waarderen om iemand anders af te zijken, de grond in te drukken en belachelijk te maken omdat ze het ergens niet mee eens zijn en ze immers niet mondig genoeg zijn zich op een gefatsoeneerde manier te representeren, doe ik dit niet en baal ik ervan als ze het weer eens niet kunnen laten alle aandacht naar zichzelf toe te trekken door op een dwaze manier van doen mensen te tarten met hun minderheden. Daarop zeg ik dan ook nee.

Als er huishoudelijk zaken te doen zijn, komt vooral Joël – die altijd het gevoel heeft als jongste benadeeld te worden – uit de kast. Af en toe doet hij wat contactgestoord aan. Hij schreeuwt om het hardst omdat hij, zoals hij claimt, twee weken geleden ook al had afgewassen en wel op dezelfde zondag. Op zo’n moment probeer je jezelf even af te zonderen en in afgrijzen vraag je je af hoe zo’n verwend kreng jou familie kan zijn. Je komt al snel tot de conclusie dat het geen zin heeft om je je over dit te verwonderen. Het is een feit, je kan er niet omheen en legt je erbij neer. Je gaat maar achter de verslaving genaamd computer zitten, want een dag in het weekend brengt niet veel meeslepends en uitzinnigs met zich mee. Een paar minuten later staat je broertje naast je te trappelen en hij produceerd vreemde geluiden. ‘Moet jij niet afwassen?’ zeg ik met flink afgrijzen. Een grimas van leedvermaak verschijnt op mijn gezicht. ‘Nee, jij moet ‘t doen.’ Je had ’t kunnen weten. M’n grijns verdwijnt als een cd-rom die in het bezit van datzelfde broertje. Na even geproest te hebben en druk te protesteren besluit je maar gemoedwillig naar beneden te gaan. Je wast af. Stopt je armpjes in het warme sop en laat de pannetjes en bordjes glanzen in het muffe licht van de schemerlamp.

Vervolgens begeef je je met je nog nameurende, door je slaap aangedane gelaat, weer naar boven en doet de deur open. Je had het kunnen verwachten. Joël zit erachter. Natuurlijk wordt dat een puinzooi, want beiden ben je te weinig creatief een betere tijdvertoeving in te wijden en dus is de computer, in een weekend als deze, bij uitkomst de uitstek. Het hele akkefietje wordt een zowaar charismatisch duel. Joël doet het onder. Zegt dingen als: ‘ja hoor...’, ‘vast’, ‘maar jij bent gister 5 uur geweest’ en meer van datsoort gezwets. Vanochtend waren het er nog twee. Je legt je erbij neer, hoewel het je de grootste inspanning kost er niet op te slaan in wanhoop en frustratie. Je wil weglopen. Anne komt erbij. Met zijn ongewassen hoofd en nog in een roes van de vorige nacht verkerende gestalte staat hij in de deuropening. Op de een of andere manier ben ik weer eens degene die wordt afgezeken. Ik schijn een makkelijk doelwit te zijn.

Het cultureel dieptepunt van het weekend is bereikt. Zelfs de belachelijke grafics van een of ander door stof en tijd verteerd spel, dat je door verveling maar eens uit de nog niet helemaal uitgepakte verhuisdozen hebt geronseld, doet niet onder en wat er nu voor je neus ligt. ‘If Bealestreet could talk’. Honderd pagina’s ronkende, met afgrijzen vervulde pagina’s zijn er nog te lezen. Je telt ze af, als je de dagen afsreept voor je verjaardag. Twijfelend begin je te lezen. Voor een ander boek dat je ook voor school moest doorspitten heb je reeds erkend geen hoop meer te bewaren. De werkeloze dagen van Somberman, in het boek Somberman’s actie – welke fockin actie? De enige actie die het stuk ellende doet is van de wc naar zijn bed lopen – van Remco Campert konden mij zo weinig boeien dat het na dag 1 rigoreus zijn weg naar de oudpapierbak wist te vinden.

Maar terug naar mijn broers. Vooral Joël heb ik dus het meest last van. We delen namelijk een computer en dus een passie. Een gedeelde passie is zoveel als een gedeeld lichaam. Je voelt je invalide. Daarbij heeft mijn broertje vaak ook de uiterst frustratieopwekkende neiging om de waarheid net zo te veranderen zodat het gunstig uit voor hem. Hij liegt weleens, weleens vaak.Tegelijkertijd geeft hij mij dan echter geen enkele speelvrijheid in het af en toe enigzins verzachten van de exacte regelementen. Abses oproepend. Uitzonderingsloos.

Anne is daarentegen niet veel plesanter om een dag mee door te brengen. Hij heeft altijd gelijk, of dat nou werkelijk zo is, of dat het slechts zijn wil is die het zo verwoord doet immers niet terzake en zich soepel en meegaand tonend jegens anderen is er niet echt bij. Zeker niet als die andere mij betreft. Vergenoeglijk zit hij als een draakje met vierkante oogjes van zijn scherm, op zijn buit die hij niet wil afstaan. Niet aan mij, in ieder geval, terwijl als Joël om een van zijn gunsten vraagt schroomt hij niet z’n goederen uit te lenen, ofschoon hij ze meestal vertrapt en out-of-order wederverkrijgt. Dit onvertrouwen zie ik als een tekortkoming in hem en ik beschouw dit dan ook als pure dom- en onverantwoordelijkheid. Maar het is niet anders. Ik zal het subtiel trachten te houden.

Vandaag bevind ik mij weer in een van die intriges die mij zo erg verloederd aandoen, dat ik ervoor zwicht. Ach, het zal wel allemaal met mijn hoge sensitiviteit te maken hebben en dat mijn emotional quotion nou eenmaal meer bevat dan die van hen. Maar dat is eigenlijk ook wel logisch (zie  Een min een is twee).

Terwijl ik Beale Street allang aan mijn zijde heb geketend en ik niet meer zin kan opwekken om verder te vervolgen, wacht ik zwichtend op ADSL en op mijn broertje.

Scholieren.com lijkt mijn laatste redding.